Hoofdstuk 3

 

Avaredis verspilde geen tijd om Hravanid alles te leren wat ze moest weten. Alle rituelen, de geschiedenis, de wet, genezing, kruidengeneeskunde en oude wijsheid. Tegen de tijd dat Hravanid twintig seizoenencirkels oud was, wist ze alles wat ze moest weten om een wijze vrouw te zijn. Hravanid bleef oefenen met haar pijl en boog en werd een uitstekende boogschutter.

Gedurende deze tijd kwamen er meer mensen uit het zuiden, niet alleen op de grote wier van Harinck of Cammingh, maar ook op andere plaatsen, zich vermengend met de mensen die al op de wieren leefden. Omdat er niet veel ruimte was op de wieren, begonnen mensen zich ook meer landinwaarts, in de wildernis, te vestigen, het veen te cultiveren en er boerderijen te beginnen. In Starum, het kleine dorp niet ver van Warns, waar Hravanid werd geboren, vestigden zich ook verschillende mensen uit het zuiden en het werd een groter dorp, waar handel belangrijker werd dan landbouw. En ten zuid-westen van de grote wier waar Harinck hoofdman was, kwam een kleine nederzetting tot stand langs een veenriviertje en was er begonnen om het veen te ontwateren.

De pastoor op de wier van Harinck, die erin slaagde zijn kerkgebouw te bouwen en misdiensten te beginnen, reisde ook naar andere wieren, in een poging mensen te bekeren, maar zonder succes. Op een dag werd hij naar Keulen geroepen om tot priester te worden gewijd door de bisschop daar, die onder de aartsbisschop van Keulen was, de broer van koning Otto de grote.

Niet alleen was Diederik, zoals de nu nieuwe priester werd genoemd, er om priester te worden, de aartsbisschop wilde hem ook zien. De aartsbisschop stelde Diederik veel vragen over het gebied waar Diederik werkte, en de plannen die Harinck had voor de kleivlakten. De aartsbisschop zag grote kansen voor dit gebied en wilde het claimen voor het heilige Duitse rijk van zijn broer, koning Otto de grote. Toen kreeg Diederik een missie van de aartsbisschop, om te kijken of het mogelijk was om daar een bisdom op te richten, waarbij hij Diederik beloofde hem tot bisschop van dat gebied te maken.

 

Diederik kwam terug naar de wier van Harinck, vergezeld door enkele soldaten, meegegeven aan hem voor bescherming tegen de heidenen, en voor nu betaald door de aartsbisschop.

Diederik ging rechtstreeks naar Harinck, vertelde hem over zijn reis en ontvouwde zijn plannen. Diederik wist dat hij Harinck nodig had en hij moest tactvol zijn, omdat Harinck van plan was zijn eigen dynastie te bouwen, waardoor zijn familie de heersende elite van het hele gebied zou worden. Diederik wist dat koning Otto de Grote dat niet wilde, omdat het zijn koninkrijk ondermijnde. Het verleden had aangetoond dat wanneer lokale heersers een dynastie begonnen en bondgenoten en macht verzamelden, dit meestal betekende dat rijken werden vernietigd. Koning Otto wilde bisschoppen gebruiken als zijn bondgenoten, bisschoppen met veel grondbezit, inclusief de mensen die daar woonden, en omdat bisschoppen in celibaat leven, hadden ze geen nakomelingen die hen zouden opvolgen, en daarom was een bisschop niet in staat om hun eigen dynastie te beginnen. Als een bisschop stierf, was het koning Otto die een nieuwe bisschop uitkoos, om de controle over zijn rijk te behouden. Harinck wist dit ook, en dit was een van de redenen waarom hij naar het noorden was verhuisd, naar de kleivlakten, die destijds bekend stonden als een vrij land van vlakten en wildernis, vrij voor iedereen om te gebruiken en om van te leven. In die eeuwen was het land nooit geregeerd door een grote heerser uit het verleden. De Romeinen waren daar nooit heen gegaan en zagen deze vlakten als waardeloos terrein, en daarna hadden de Franken zich er ook nooit mee beziggehouden. Het was altijd een gebied geweest waar niet veel mensen woonden, vooral de veenmoerassen, die zeer dunbevolkt waren. Mensen leefden al heel lang op de kleivlakten, maar soms was het een zwaar en gevaarlijk leven en moesten de mensen zich aanpassen aan het grillige klimaat, soms gedwongen om meer landinwaarts te gaan in jaren van stormen en overstromingen, of gewoon heel natte jaren, als het onmogelijk was om gewassen op de vlakten te telen, of daar vee te laten grazen. Maar het klimaat was verbeterd en de mensen op de kleivlakten hadden het beter. Nu was het een plaats van voorspoed en kansen, en het trok veel mensen, vooral uit het oude Noord-Frankische rijk, het gebied dat nu Flandria heette, en het gebied genaamd Taxandria, de mensen, die zichzelf Friis noemden, trokken naar het noorden . Een deel van de inwoners uit het noordelijke deel van Flandria volgde de kust en vestigde zich langs de duinen, aan de Noordzeekust, en zou zich later Hollanders noemen.

Tijdens zijn terugreis had Diederik erover nagedacht hoe hij Harinck kon uitleggen dat er een bisdom gevormd moest worden, en nu hij Harinck ontmoette, begon Diederik met beleefde groeten, zoals de elite gewend was te doen. Harinck zei: "Je zult vast moe zijn en moet je rusten. We praten morgen." Maar Diederik verspilde geen tijd en antwoordde: "bedankt voor je bezorgdheid, maar de reis was niet moeilijk, we voeren bijna de hele reis met een schip, varend over de Renus, langs de oude ruine van het Romeinse castellum, dan over zee die gelukkig kalm was, vervolgens over de Borne rivier. En als de Borne niet zo ondiep was geweest, en waarvan het elk jaar moeilijker wordt om op te varen, dan zou ik helemaal niet veel hoeven te lopen. En ik heb geweldige tijdingen om je te vertellen." Nu werd Harinck nieuwsgierig. Wat voor tijdingen vanuit Keulen zouden er nu kunnen komen. Diederik begon: "Ik had een ontmoeting met de aartsbisschop en hij was erg blij te horen over onze plannen hier in de omgeving, het bouwen van meer boerderijen en het kerkgebouw ter ere van God. En met het cultiveren van deze wilde landen, eren we God en Hij zal deze landen zegenen en ons deze landen geven om te leven en de vruchten er van te gebruiken. Dit zullen christelijke landen zijn, geen heidense landen, en daarom streven we ernaar het heidendom te verbannen en hier een solide christelijke basis op te bouwen. En precies hier, op deze wier, zal het middelpunt van een nieuw bisdom zijn." Harinck trekt zijn wenkbrauwen op en zegt: "deze wier? En waar zal dan de bisschopszetel zijn? Onze kerk past er maar net op, en er is nauwelijks ruimte om de doden te begraven!" "Het is een langetermijnplan natuurlijk," zegt Diederick, "we hebben inderdaad meer ruimte nodig, maar ons heilige christelijke geloof heeft zich nog niet wijd verspreid over deze landen en het bouwen van een kathedraal, als de zetel van mijn, ehm, het bisdom zou op dit moment een groteske daad van ijdelheid zijn. Wat nog belangrijker is, is dat het bisdom natuurlijk op eigen benen moet staan, wat alleen bereikt kan worden door voldoende grond te bezitten om ervan te profiteren. Er zullen fondsen nodig zijn om alles te betalen, en gelovigen om de tienden te betalen." Harinck luisterde aandachtig en merkte de kleine fout op die Diederik maakte, en hij vroeg Diederick "en jij wilt de bisschop van dit nieuwe bisdom worden? " Waarop Diederick antwoordde: “mijn lot ligt in de handen van God en de aartsbisschop, en alleen zij beslissen wie hier bisschop wordt. Maar wanneer de aartsbisschop mij vraagt, zal ik me vereerd en bevoorrecht voelen om die heilige taak te aanvaarden." Harinck zegt: "je kunt beter aan de slag gaan om de heidenen hier te bekeren, anders zul je nooit een bisdom hebben." Diederick lacht, en zegt: "Ik weet hoe ik de heidenen moet bekeren", maar legde niet uit hoe hij van plan was dit te doen. Harinck was niet erg overtuigd van de mate van succes bij het bekeren van de heidenen hier. Als religies eenmaal zijn gevestigd, met hun rituelen, en eigenlijk, als een manier van leven, was het moeilijk om dat te veranderen. Zelfs Harinck en zijn familie, die nu al generaties christenen waren, hadden een aantal zeer hardnekkige heidense gewoonten.

Maar Diederick had plannen en wist dat de beste manier om de oude gevestigde religie uit te bannen, zou zijn om zich te ontdoen van degenen die als taak hebben om de tradities in leven te houden, te beginnen met de wijze vrouw.

 

Avaredis en Hravanid hadden hun zakken gepakt en waren klaar om naar de bijeenkomst van de wijzen te gaan. De bijeenkomst vond om de zeven seizoencirkels plaats. Het was natuurlijk de eerste ontmoeting voor Hravanid, en ze keek ernaar uit om de andere wijzen te ontmoeten en voorgesteld te worden aan de anderen. De bijeenkomst werd gehouden in een oud bos, midden in een wildernisgebied dat Valua heette, in de landen waar de meeste mensen Saksen waren.

De twee vrouwen vertrokken eerst naar het zuidoosten om een moeras te ontwijken, daarna naar het zuidwesten, totdat ze een beek overstaken. Na de oversteek zouden ze door het natte bos lopen, zoals het werdt genoemd, totdat ze het dorp Urk zouden bereiken, wat op een hoogte lag. Avaredis wilde de mensen daar bezoeken en zien hoe het met ze ging, aangezien ze al lang niets van de mensen van Urk had gehoord.

Toen ze bij de stroom kwamen, zagen ze dat het nu meer op een rivier leek, en ze stopten. Avaredis keek over de rivier, naar de andere kant, en kijkend naar de oevers, zei: "deze rivier zou niet zo groot moeten zijn. Vroeger was het een beekje door het natte bos en vloeide over in de rivier Flie. Het natte bos gaat ook door tot aan de rivier Flie, en aan de andere kant is het bos van Creyl. Wat heeft deze verandering veroorzaakt? Deze verandering is onnatuurlijk. En kijk daar" Avaredis wijst naar enkele boomstronken aan de rechterkant, “het wordt waarschijnlijk veroorzaakt door dwaze mensen, die te veel van het land nemen en er niet voldoende voor zorgen." Hravanid voegt eraan toe, "of te veel mensen hebben hout nodig om te bouwen. Als mensen uit het zuiden ook naar Urk zijn gekomen ..." maar Hravanid maakte haar zin niet af, en beide vrouwen wisten wat ze bedoelde. De twee vrouwen keken elkaar in de ogen aan en wisten dat beiden hetzelfde dachten, dat de mensen uit het zuiden dan waarschijnlijk christenen zouden zijn. Er was lange tijd niets van de mensen van Urk gehoord, en dat was geen goed teken.

De twee wijze vrouwen zochten naar een ondiepe plek in de rivier om over te steken, en konden alleen maar hopen dat het ondiep genoeg was om zichzelf staande te houden in de stroming. Avaredis keek aandachtig naar de manier waarop het water stroomde, en zei toen “ik denk dat dit een goede plek is”. Ze trok haar hertenleren broek uit, en waadde een stukje in de rivier om de diepte te pijlen, en kwam weer terug. “Hier lijkt het wel te kunnen denk ik,” zegt Avaredis, “maar we moeten nog wel een vlotje bouwen om alles wat we dragen droog naar de overkant te krijgen.”

Hravanid zegt dan vol vuur, “als kind bouwde ik al vlotten om op de Fluus te varen, ik zal een goede hulp zijn.” Avaredis neemt het vlastouw wat ze op haar rechter schouder droeg af, en zegt, “we hebben hout nodig dat op zijn minst vuistdik is,” en beide vrouwen gaan het hout sprokkelen. Het neemt niet veel tijd om het vlot te bouwen. Een uiteinde van het touw dat de houten stammetjes bijeen bind zal gebruikt worden om het vlot mee vast te houden in het water. Nu leggen beide vrouwen alles wat ze dragen op het vlot, met hun kleren boven op, en waden ze de rivier in. Bij de oever is het nog vrij ondiep, maar dan wordt het snel dieper, en zijn ze tot hun middel in het water, wat nog wel koud is, maar het is te verdragen. Er drijven ook een aantal losse veenbrokken in het water, die behendig weggeduwd worden. Het vlot trekt aan het touw, maar beide vrouwen kunnen het in bedwang houden. Wanneer ze in het midden van de rivier zijn komt het water bijna tot aan hun borsten, en wordt het moeilijker om grip te houden op de bodem. Ze komen nu nog maar langzaam vooruit, vechtend tegen de stroming. Ze zijn zo gericht op het doorwaden van de rivier, dat ze hun omgeving uit het oog verliezen, en geen dreigend gevaar zien. Dan opeens ziet Hravanid een ontwortelde boom in de rivier drijven, die met de stroming recht op hen af komt. De boom ligt dwars in de rivier, en er is geen ontkomen aan. Hravanid slaakt een kreet om Avaredis te waarschuwen, en beide vrouwen proberen nog sneller te waden, maar het is al te laat. De ontwortelde boom is al te dichtbij om te ontwijken, en de twee vrouwen zijn klaar om de klap op te vangen, en zich vast te klampen aan de stam. Wanneer de boom bij hen is, lukt het hen om zich vast te klampen, en Hravanid kruipt behendig op de stam, en zit dan schrijlings op de stam. Het vlot trekt nu niet meer, omdat het met dezelfde snelhijd als de ontwortelde boom meegevoerd wordt in de stroom. Avaredis kijkt naar de grote wortels van de boom, en zegt dan, “we zullen van deze boom weg moeten komen, anders zal het ons over de Flie naar de grote zee voeren. Het enigste wat we kunnen doen is proberen om de boom te draaien, hier bij de wortels. Ik voel de bodem niet meer, dus het is te diep om ons met onze voeten aan de bodem af te zetten, dus moeten we het zwemmend doen.” Hravanid begrijpt wat Avaredis bedoelt, en beweegt zich samen met haar naar de wortels. Dan gaat Hravanid weer in het water, en al zwemmend proberen ze de boom te draaien. Het is zwaar en ze worstelen tegen de stroom, maar toch begint de boom te draaien. Beide vrouwen krijgen nu meer hoop, en zwemmen nog krachtiger. Nu de boom begint te draaien, gaat het steeds lichter, en wanneer de boom zover gedraaid is dat de hele boom nu parrallel aan de stroming is, duwen beide zich af van de stam, en richten zich nu op de andere oever. Avaredis zegt, “duw het vlot mee naar voren,” en beide duwen nu al zwemmend het vlot voor zich uit naar de oever. Ze raken vermoeid en hun ademhaling gaat hijgend van de inspanning. Hravanid begint zich zorgen te maken of ze het wel gaan redden, en Avaredis leest dit af op het gezicht van Hravanid, en zegt al hijgend, “houd vol en houd moed, we komen er wel. Zolang we het vlot vasthouden blijven we drijven.” Hravanid realiseerd zich dan weer dat Avaredis altijd elke situatie de baas is, en haar zorgen verdwijnen. Dan opeens zegt Avaredis, “ik kan de bodem voelen, kom op, waden!” Hravanid gaat nu ook waden, en zo gaan ze een stuk sneller naar de oever toe, waarbij het water ook steeds ondieper wordt. Ze gaan door totdat het vlot tegen de oever botst, en beide vrouwen, die nu in kniediep water staan, hebben niet de kracht meer om op de oever te klauteren en het vlot uit het water te tillen. Ze staan daar een tijdje om op krachten te komen, om dan te proberen op de oever te komen. Maar ook dat valt niet mee, omdat de slappe veengrond geen houvast bied, en ze brokken veen van de oever trekken wanneer ze omhoog proberen te klauteren. Maar uiteindelijk lukt het hen, en het lukt ook om het vlot uit het water te halen. Hierna gaan ze op een omgevallen boom zitten om uit te rusten en op te drogen. De zon schijnt volop, en dit doet hen goed. Avaredis peinsd even voor zich uit, en zegt dan, “voor de terug weg zullen we een andere route moeten volgen, of met een boot deze rivier af varen. Deze rivier zal in de Flie uit stromen, en dat betekend dan dat we tot Starum kunnen varen. Dat zou de terugreis gemakkelijker maken.” Hravanid denkt dat terug reizen over de rivier een heel goed idee is, en beide vrouwen staan op het punt om zich weer aan te kleden, als er twee mannen met hakbijlen verschijnen. Avaredis neemt de twee mannen met een snelle blik op om te zien dat het twee houthakkers zijn, waarschijnlijk uit Urk. Beide vrouwen zijn gewend om door mannen met respect behandeld te worden, en dat naaktheid als normaal gezien wordt, zien ze nog geen gevaar. Maar dat veranderd snel, als een van de mannen zegt, “kijk eens aan, twee bosnymphen. Daar kunnen wij ons wel eens mee vermaken.” De man trekt dan zijn rok omhoog om zijn geslacht te laten zien en zegt, “kijk eens wat we voor jullie hebben!” Avaredis en Hravanid weten wat dit betekend, en Avaredis zegt op een ijzige toon, “ga heen, als je dat dingetje daar niet wilt verliezen!” en ze knikt met haar hoofd naar het geslacht van de man. De mannen zijn nu vlakbij het vlot, waar ook de wapens van beide wijze vrouwen op liggen, en ze beseffen dit ook. Maar ook nu weer blijft Avaredis ijzig kalm, terwijl ze een inschatting maakt hoe gevaarlijk de twee mannen zijn. De man die gesproken had, werpt Avaredis een vijandige blik toe, heft zijn bijl en zegt, “ik zal je leren om een man niet tegen te spreken brutaal wicht!” Hij komt nu met grote stappen op Avaredis toelopen, maar die ziet nu haar kans, en als een pijl uit een boog vliegt ze op de man toe, en geeft hem een schop tussen zijn benen, zo hard als ze kan. Luid kermend zakt de man door zijn knieen, en laat zijn bijl vallen, die snel opgeraapt wordt door Avaredis, die dan dreigend op de tweede man afkomt. Die laat zijn bijl ook vallen, zijn armen hoog houdt ter overgave, en zegt, “ik heb geen slechte bedoelingen vrouwe, ik zal heen gaan.” De man draaid zich om en loopt snel weg. Ondertussen was ook Hravanid snel opgestaan, naar het vlot gegaan om haar boog en een pijl te pakken, razendsnel een pijl op de boog te spannen, en hiermee op het hoofd van de kermende man te richten. Zo gaat ze recht voor de man staan, en de man kijkt omhoog, ziet de pijl die gespannen is op de boog, en ziet ook de vastberaden blik van Hravanid. De man heeft geen enkele aandacht meer voor het naakte lichaam van Hravanid, die nu ook zegt, “ga heen!” De man staat moeizaam op, en loopt weg. Wanneer beide mannen uit het zicht verdwenen zijn, kijken de wijze vrouwen elkaar aan. Hravanid zegt dan, “dat waren nieuwkomers uit het zuiden, ze spraken met het zuidelijke dialect. Zijn dit twee boosaardige mannen, of zijn alle mannen uit de zuidelijke landen zoals hen?” Avaredis antwoord, “ja, het waren zeker boosaardige mannen, ik kan me niet voorstellen dat alle mannen uit de zuidelijke landen zo zijn. Maar als christenen hebben ze ook veel minder respect voor vrouwen. Zoals je al weet is de christelijke manier van leven anders dan de onze, en moeten vrouwen de mannen gehoorzamen. Maar deze twee mannen denken nu ook dat ze alles met vrouwen kunnen doen wat ze maar willen, en die manier van denken komt dan voort uit het gegeven dat hen geleerd is dat vrouwen de mannen moeten gehoorzamen. En nu zie je in de praktijk hoe die manier van denken verkeerd kan uitpakken. Met onze manier van leven, en onze wetten, zou dit niet zo snel kunnen gebeuren. En dit is des te meer een waarschuwing voor ons om te zorgen dat onze manier van leven behouden blijft, al helemaal voor de vrouwen van ons volk.” Hravanid was het hier roerend mee eens. Ze kleedden zich aan en orienteerden zich op waar ze nu waren. Avaredis dacht dat ze niet eens zo ver afgedreven waren, en dat ze door zuid-west te lopen Urk zouden bereiken. Nu gingen ze door moeilijk terrein, en het kostte veel tijd om enige afstand af te leggen. Maar na enige tijd vonden ze het pad naar Urk, en schoten nu beter op. Toen ze dichter bij Urk kwamen, werd het bos dunner en al snel liepen ze door velden en weiden, waar vee graasde. Toen de twee vrouwen uit het bos kwamen, was de bodem een beetje gedaald, maar toen ze dichter bij het eigenlijke dorp kwamen, gingen ze weer onhoog, omdat het hele dorp was gebouwd op een lage heuvel met stevige zandgrond. Avaredis zag dat het dorp was gegroeid en stopte. Hravanid zag nu de reden waarom Avaredis zo abrubt was gestopt. Precies bovenop het hoogste punt van de heuvel, stond een gebouw, het grootste van het dorp, met een kruis hoog op het dak. Beiden wisten dat het christendom hier op Urk goed ingeburgerd moest zijn.

Ze liepen verder en kwamen het dorp binnen. waar een jonge vrouw hen zag aankomen en naar hen toe kwam om hen te begroeten en zei: "welkom, reizigers, in ons dorp, wat brengt u hier? Hebben jullie een plek nodig om te overnachten? Oh, ik zie dat jullie in het natte bos hebben gelopen, ik weet zeker dat jullie jezelf weer wat schoon en droog wilt krijgen.” Maar voordat de twee wijze vrouwen konden antwoorden, kwam er een man naar hen toe lopen die eruit zag alsof hij het dorp bezat, en zei tegen de vriendelijke vrouw: "zie je niet dat het heidenen zijn? die op het punt staan om op heilige grond te stappen?" De vriendelijke vrouw boog haar hoofd, keek naar de grond en zei geen woord. De man ging verder, "en wie ben jij?" kijkend naar Avaredis. Avaredis antwoordde hem met haar hoofd hoog, de man recht in zijn ogen kijkend, en zei, ik ben Avaredis, wijze vrouw van het volk, en dat is Hravanid ook," wijzend naar Hravanid, en zij vervolgde, "we zijn hier om vrienden te bezoeken." De man antwoordde geergerd, "je hebt hier geen vrienden, je kunt beter vertrekken, er is geen plek hier in het dorp voor jullie heidenen. Ga heen!" wijzend naar het natte bos. Beide vrouwen wisten dat ze hier niet welkom waren, en het had geen zin om te blijven, dus keerden ze zich om en liepen terug naar de rand van het dorp, waar ze stopten om te bespreken wat ze nu moesten doen. Het begon tegen de avond te lopen en ze hadden een slaapplaats nodig. Terwijl ze dit bespraken, kwam een oude vrouw naar hen toe lopen, en toen ze de wijze vrouwen passeerde, zei ze: "Avaredis, wijze vrouw, loop naar de rand van het natte bos en wacht daar op mij." De vrouw bleef lopen, en Avaredis keek naar het dorp, waar de man nog steeds naar hen keek, dus zei Avaredis tegen Hravanid: "Kom op, naar het natte bos, doe alsof de oude vrouw nooit met ons sprak." Ze haalden de langzamer lopende oude vrouw in, kwamen aan de rand van het bos en ze wachtten daar op de oude vrouw. "Ráswo, ik ben zo blij je te zien, wat is hier gebeurd?" Zei Avaredis, maar Ráswo antwoordde: "laat me je naar mijn hut brengen, daar kunnen we praten. Het is beter dat ze me hier niet met jullie zien praten." Ráswo leidde hen verder het bos in, tot ze bij een kleine hut kwamen. Ze opende de deur en nodigde de twee wijze vrouwen uit en zei: "Welkom in mijn kleine hut, tot mijn spijt kan ik je niet meer bieden dan dit." Ze gingen allemaal de hut in en in het schemerige licht zagen de wijze vrouwen de schamele bezittingen van de oude vrouw, die daar in ernstige armoede leek te leven. "De dingen zijn veranderd," zei Ráswo, "ze werden allemaal goede christenen," en ze legde de nadruk op het woord goede, "en ze verboden me om in het dorp te wonen omdat ik een slechte heiden ben, zoals ze het noemen, en blijf leven naar de oude gewoontes en tradities van onze voorouders." Ráswo keek in de ogen van Avaredis en zei met een treurige blik op haar gezicht: "Ik ben de enige die nog over is." Geschokt door wat Ráswo zojuist zei, antwoordde Avaredis: "degenen die geen christen zijn geworden zijn gedood?" “Nee” zei Ráswo, “alle andere oorspronkelijke bewoners van het dorp werden christenen, tenminste, zo noemen ze zichzelf. In hun harten zijn ze nog steeds hetzelfde, maar in hun gedrag zijn ze overgestapt op de nieuwe manier van leven, de nieuwe religie. Ze gaan naar de erediensten in dat grote gebouw, de mis noemen ze het, biddend tot een kist met de botten van een of andere heilige christelijke persoon. Ze proberen aan te sluiten bij de nieuwkomers en hun zuidelijke religie. Die man die je weggestuurt heeft, die is een rijke landeigenaar, denkt dat hij de lokale heerser kan zijn, maar hij is niets meer dan een dief. Hij kwam hier en nam de landen rondom het dorp in bezit, weet je, de gemeenschappelijke landen die voor iedereen vrij waren om te gebruiken, zoals het al zo lang is als we ons kunnen herinneren. Hij nam ook de visgronden in bezit en zegt dat hij de visrechten bezit. Nu moet iedereen die het land wil gebruiken, hem betalen, en ook om te vissen. Zie je, die man bezit de mensen op die manier en ze zijn bang voor hem, en de priester, die beste vrienden is met die man. Maar ondanks alles, zijn de mensen me niet vergeten, en omdat ik te oud ben om zelf te werken, geven ze me stiekem voedsel zodat ik niet sterf van de honger. En de vissers komen stiekem naar mij toe om mij iets aan te bieden. Maar ze offeren aan Nord, voordat ze gaan vissen." "Dus ze hebben dan niet veel vertrouwen in de christelijke god?" Vraagt Hravanid. Ráswo antwoordde: "Oude gewoonten, weet je, oude gewoonten gaan niet zomaar verloren, en zolang ze me nodig hebben om hier te offeren aan Nord, brengen ze me eten. Over eten gesproken, ik heb je niet veel te bieden, alleen wat oud brood en wat boter. Misschien brengen ze me morgen verse vis.” "Oh, maak je geen zorgen," zegt Avaredis, "we hebben ons eigen eten meegebracht, en we kunnen delen, nietwaar Hravanid?" Ráswo draaide haar gezicht nu naar Hravanid, en keek haar diep in haar ogen, alsof Ráswo in haar binnenste probeerde te kijken en zei: "Hravanid, vol wijsheid, het moeten de goden zijn geweest die je die naam hebben gegeven." En na een pauze, "ben jij de gekozene?" Hravanid zei:" Ja, dat ben ik." Ráswo knikte plechtig, en zei: "Dan is niet alles verloren." Hravanid peinsde over het feit of Ráswo ook een wijze vrouw was, maar bedacht zich toen dat iemand zo oud als Ráswo, de wijsheid van de ouderdom heeft.

Er was niet veel ruimte om te slapen, maar wanneer alledrie zich klein maakten, ging het wel, zeker nu in de zomer, zonder brandend vuur in de haard.

De volgende ochtend, na afscheid te hebben genomen van Ráswo, reisden de twee wijze vrouwen verder, door het Emmel-bos, over een heideveld naar het bos van de Ouden. Het werd zo genoemd omdat je hier oude stenen werktuigen kon vinden, achtergelaten door de ouden van weleer, toen de oude goden hen wegstuurden van hun land. Avaredis wees op enkele stenen werktuigen die ze kon herkennen aan Hravanid, die ze fascinerend vond. Ze gingen verder, over een stukje veenmoeras, daarna weer over droog land, met lage heuvels. Het landschap deed Hravanid denken aan thuis. Ze hadden een beetje naar het zuidoosten gelopen, maar liepen nu naar het zuiden, door meer veen, soms behoorlijk nat. Ze staken een rivier over en kwamen op hoger en droger land, met zandgrond, waar ze kampeerden. Omdat ze eten met Ráswo hadden gedeeld, ging Hravanid op jacht en schoot een ree.

De volgende dag liepen ze door heuvelachtige wildernis, meestal heide en bos, en in de middag vonden ze een pad waarvan Avaredis wist dat het het pad was naar de plaats waar de bijeenkomst werd gehouden. Die middag zouden ze aankomen op de ontmoetingsplaats, maar niet ver daarvandaan zag Hravanid plotseling beweging tussen een paar struiken, greep de arm van Avaredis om haar te stoppen en pakte haar handboog van haar rug, reikend naar een pijl, toen op hetzelfde tijdstip , een zwaarbewapende man uit de struiken kwam, maar hij haalde zijn zwaard niet uit de schede. Hravanid vertrouwde de man niet en legde in één vloeiende beweging een pijl op de boog, spande de boog, en richtte. De man zei kalm: "U moet de wijze vrouw zijn die de vergadering bijwoont. We zijn hier als bewakers en zorgen ervoor dat de wijzen niet worden afgeslacht door de soldaten van de bisschop." Hravanid wist niet wat zij hiervan moest denken en ontspande zich niet, nog steeds richtend op de borst van de man die zichzelf een bewaker noemde . Avaredis vroeg de man: "Wie is het die u op deze plaats wachter heeft gezet?" De bewaker antwoordde: "Het was Evorhard de wijze, en u moet Avaredis zijn, de wijze vrouw van de noordelijke landen." Avaredis ontspande zich en zei tegen Hravanid: "het is in orde." En terwijl Hravanid haar wapens weer opborg, zei Avaredis tegen de bewaker, "is er echt zo"n bedreiging?" Nu antwoordde de bewaker, "we hebben kennis van de bisschop van Daventre die op de hoogte is van deze ontmoeting, en wetende dat het hier wordt gehouden in deze bossen. We zijn ons ervan bewust dat soldaten van de bisschop door het land zwerven en deze soldaten wordt verteld om elke wijze die ze kunnen vinden te doden en elke heilige plaats van ons te vernietigen. Het is hier niet meer veilig. Ze kennen de plek waar de vergadering wordt gehouden niet, maar ze kunnen deze plek wel vinden. Er zijn dus bewakers rond de ontmoetingsplaats, om ervoor te zorgen dat de wijzen hun bijeenkomst veilig kunnen houden.”

Hravanid was blij dat ze niet hoefde te schieten, omdat ze zich plotseling bewust was dat ze nog nooit eerder een pijl op een mens had geschoten en wist niet hoe het was om iemand te doden. Een koude rilling sloop door haar ruggengraat en ze hoopte stilletjes dat ze nooit op een mens hoefde te schieten. Avaredis bedankte de mannen voor het bewaken van de plaats en pas toen ze door de struiken liepen, kon Hravanid de drie andere bewakers zien. Nu was het een korte wandeling tot ze in een open plek in het bos kwamen, met in het midden een enorme eik, groter dan hun Ermenbeam, en die er heel gezond uitzag, de kroon vol bladeren spreidend in een breed gebied rond de stam. Het onderste deel van de kroon was slechts een mens lengte boven de grond, waardoor er veel schaduw onder de boom was.

De hele open plek in het bos zag er geweldig uit, met rondom grote bomen en struikgewas, bijna een perfecte cirkel. Verschillende mensen waren aanwezig. Zittend bij de grote eik was een groep mensen waarvan Hravanid dacht dat ze ze als wijzen herkende, en verschillende andere mensen, mannen, vrouwen en wat kinderen, bezig met dingen, of gewoon wat rondhingen. Een persoon viel op door Hravanid, een sterk ogende vrouw met een handboog op haar rug. Ze keek Hravanid nieuwsgierig aan.

De groep mensen die op de grond bij de eik zat, had de aankomst van de twee wijze vrouwen opgemerkt, en allen stonden op en kwamen hen begroeten. Avaredis werd begroet als een oude vriend en Hravanid werd voorgesteld aan de andere wijzen. Er waren vier Saksische wijzen, twee mannen en twee vrouwen, twee wijzen van de Germaanse stammen in het oosten, en een van de Noord-Germaanse stammen, een uit een land nog verder naar het noorden, uit het land dat Mark werd genoemd, dat werd omringd door de zee, met vele eilanden, en één uit een land genaamd Skania, naast Mark. Uit de zuidelijke landen was er slechts één Dani gekomen en Avaredis vroeg naar de Friese wijze vrouw, de laatste van die stam, maar niemand wist wat er met haar gebeurd was. Vroeger waren er ook meer wijzen van de Dani-stammen, maar ze werden gedood, of waren vermist. Dan was er ook de wijze vrouw van de kuststreken, uit het gebied ten westen van het Creiler bos. Zij was de wijze vrouw van het volk dat in het gebied leefde van Texla, tot ver naar het zuiden, bijna tot aan Flandria. Avaredis vertelde Hravanid dat deze bijeenkomsten vroeger grote evenementen waren, met meer dan honderd wijzen, zelfs bijgewoond door de Angels aan de andere kant van de zee, maar dat was lang geleden. Meer recent was er ook een wijze man van de Franken geweest, maar hij was ook verdwenen.

Awimund, de oudste van de wijzen, en degene die verantwoordelijk was voor het organiseren van de bijeenkomsten, verklaarde: "Alle wijzen zijn nu gearriveerd, dus laten we feesten en vrolijk zijn, en morgen zullen we samenkomen om onze zaak te bespreken!" en hij hield zijn houten staf hoog terwijl hij dit zei.

Een jong varken werd boven een vuur geroosterd, brood en kruiden en groenten en boter werden op tafels neergelegd, met achter de tafels een groot vat bier, met houten mokken ernaast in het gras. Aan de randen van de open plek lagen schapenhuiden, edelhertenhuiden en wilde ossenhuiden waar mensen op konden slapen.

Omdat het varken nog niet klaar was, namen Hravanid en Avaredis een mok bier en mengden zich onder de mensen. De vrouw met de handboog kwam naar Hravanid, stelde zichzelf voor als Wulfgard en voegde eraan toe: "en sommigen noemen me Wunnia, gewoon omdat ik geniet van de geneugten van het leven." “Je hebt daar een mooie handboog," zei Hravanid, haar hoofd knikkend naar de handboog op de rug van Wulfgard. Wulfgard neemt de handboog van haar rug en toont deze aan Hravanid, die kan zien dat het met uitstekend vakmanschap is gemaakt. Wulfgard zegt trots: "deze boog is gemaakt van het hout van de Ywe (taxus), maar niet de gebruikelijke, een speciale Ywe die alleen in een heilig bos tot diep in de oude Germaanse landen groeit. Het hout is harder en het kost meer kracht om de boog te spannen en daarom schiet deze boog verder dan elke andere handboog. Hiermee kan ik vijanden uitschakelen voordat ik in hun bereik ben. Christelijke soldaten noemen me het duivelsgebroed, met een magische boog gemaakt door de duivel. De dwazen weten gewoon niet waar ze zulke goede bogen kunnen vinden, wat een goede zaak is. Je zou hun gezichten moeten zien als ik schiet en er twee tegelijk raak, terwijl ze denken dat ze buiten bereik zijn." “Twee tegelijk?" Vroeg Hravanid. "Ja," antwoordde Wulfgard, "ik heb de techniek geleerd om met twee pijlen tegelijk te schieten. Het is een beetje lastig om te leren, maar als je het eenmaal door hebt, werkt het. En de boog moet hierop worden aangepast. Hier ik zal je mijn boog laten zien,” en toont Hravanid het middelste stuk, waar de hand wordt geplaatst, waar twee kleine nokken zijn gesneden. Wulfgard legt uit: “Omdat je twee pijlen tegelijk gebruikt, is het de kunst om de boog een beetje te kantelen, zodat een van de pijlen niet van de kleine nok glijdt.

En je moet het onderste uiteinde van de pijlen tussen de drie vingers houden waarmee je spant. Het doet de pijlen een beetje van elkaar spreiden, maar met ervaring kun je de juiste afstand schatten om twee vijanden tegelijk te kunnen raken, of één vijand raken met twee pijlen. Hier, ik laat het je zien," en Wulfgard plaatste twee pijlen op haar boog, lichtjes kantelend, en spande. Awimund, die naar de scène keek, zei toen: "voorzichtig met die boog Wulfgard, dit is niet de plek om te pronken." Wulfgard ontspande de boog en antwoordde: "ik demonstreerde alleen de techniek van schieten met twee pijlen, en ik veroorzaak nooit ongelukken, toch?” Wederom tot Hravanid kijkend, “het ziet er eenvoudig genoeg uit, maar geloof me, dat is het niet. Het loslaten van de snaar is het moeilijkst om te leren, zelfs als je een ervaren boogschutter bent. Het is alsof je opnieuw leert om pijlen te schieten als een beginner." Kijkend naar de boog, zei Hravanid, "en je hebt een speciale boog nodig die geschikt is, zoals die van jou." "Ja," zegt Wulfgard, "en deze zijn zeer zeldzaam. Ik kan je niet eens vertellen waar je er een kunt krijgen. Mijn boog is gekocht van een reizende handelaar, die deze van een andere handelaar heeft gekocht. Het is maar goed dat we al die ijzererts stenen overal hebben liggen, dus we hebben iets om mee te handelen.” De twee vrouwen spraken wat meer over boogschieten en jagen, totdat het varken klaar was om wat stukken vlees van af te snijden. Hravanid pakte een houten schaal en sneed een stuk vlees van de rug van het varken, voegde wat brood en boter, kruiden en groenten toe en ging op de grond zitten om te eten. Het varkensvlees was zacht en zeer smaakvol, en het bier was beter dan het bier dat ze thuis dronk.

 

De wijze vrouw van de westelijke kuststreek kwam bij Avaredis en Hravanid zitten. Ze werdt voorgesteld aan Hravanid als Thiada, en ze was blij dat Avaredis een opvolgster had. Maar Thiada had slecht nieuws over het gebied waar zij woonde. Thiada en de mensen van de kuststreek waren vrijwel gelijk aan de mensen die in de kleigebieden woonden, en spraken dezelfde taal, wel met een dialect. Het slechte nieuws was dat de Friese graven van Flandria hun graafschap uitbreidden naar het noorden. Nu was dat Arnulf van Gent, die al gezien was bij het gebied waar Thiada woonde. Het was een verkennende groep krijgers geweest die daarna weer terug gingen, maar niet helemaal terug naar hun graafschap. Ze bleven hangen bij de mond van de rivier de Mosa, en meerdere mensen uit Flandria waren daar ook neergestreken, en waren begonnen om het veen te ontwateren. Er waren zelfs al schermutselingen geweest met de oorspronkelijke bewoners. Wat ook niet hielp, was dat deze Arnulf van Gent bevriend was met koning Otto, en al deze nieuwkomers waren christenen.

Avaredis vertelde Thiada daarna over de nieuwkomers in de kleigebieden, wat haar grote zorgen baarde, want nu was Thiada al bijna ingeklemd tussen de nieuwkomers uit Flandria uit het zuiden, en nu ook in het noorden.

De avond ging snel, terwijl het feest voortging, met zingen, dansen en lachen. Avaredis leek geen last te hebben van het bier, de ene mok na de andere drinkend, maar Hravanid voelde zich later op de avond behoorlijk aangeschoten, en werd al snel moe en ging slapen.

Awimund, zittend in de buurt van Avaredis, keek toe hoe Hravanid naar haar slaap plek ging, keek toen naar Avaredis en zei: "Met het aantal wijzen dat zo snel in aantal daalt, vraag ik me af dat tegen de tijd dat Hravanid op mijn leeftijd is, ze de allerlaatste wijze zal zijn." Avaredis keek naar Awimund en zag zijn bezorgde gezicht en zei: "Zelfs als alle andere wijzen worden gedood, zal Hravanid overblijven als de laatste. Zij is de gekozenene van de goden om alle kennis van de wijzen te behouden en door te geven. Het zal haar taak zijn om er voor te zorgen dat ze niet de allerlaatste zal zijn."

 

De volgende ochtend werd Hravanid wakker met een droge mond, en alles wat ze wilde was lekker koel water. Maar toen ze opstond, voelde ze zich een beetje misselijk. Ze liep naar de tafels waar het eten had gelegen en zag een lachende Avaredis, roerend in een ketel. "Kom, neem een drankje van mijn speciale "beterschap na een feest "drankje. Heb ik je al geleerd hoe je dit drankje moet maken? Laat maar zitten, geniet er maar van." Hravanid mompelde een goedemorgen groet, kreeg een mok en liet hem vullen met het drankje. Het drankje was zo heet, dat Hravanid zich afvroeg of ze beter werd voordat het drankje voldoende was afgekoeld om te drinken.

Hravanid zag Wulfgard opstaan, die zo te zien een wilde nacht met een van de wachten had gehad.

Langzaamaan kwam er meer leven in het tijdelijke kamp, en nadat alle wijzen weer wat bijgekomen waren, een goed ontbijt met koud varkensvlees en eieren hadden genuttigd, werd het tijd voor de eigenlijke bijeenkomst. Eerst werd er geofferd aan Woden, om de deelnemers aan de bijeenkomst wijsheid te geven. Daarna begon de vergadering.

De een na de ander deed verslag over de situatie in hun gebied, en allen hadden één gemeenschappelijk onderwerp; de teloorgang van de oude Germaanse gewoonten en religie. Steeds meer mensen namen de nieuwe Christelijke religie aan.

De wijze man van de Dani voegde eraan toe dat vele Dani naar het noorden trokken, met hun drakkars over de grote zee naar Mark voeren om zich daar te vestigen. De wijze van één van de oostelijke Germaanse stammen merkte op dat Mark voortaan ook wel Danimark genoemd kon worden, waarop een ander ‘Danmark’ opperde, wat met vrolijk gelag aangenomen werd als de nieuwe officiele naam voor dat land.

Daarna werd de toon serieuzer, en Awimund stuurde de conversatie naar het grootste probleem waarmee zij te maken hadden, de schijnbaar niet tegen te houden opmars van het Christendom. Er werd gesproken over de gevolgen hiervan, en of deze ontembare macht gestopt zou kunnen worden. Het grootste probleem was het feit dat zoveel stamleiders ook het Christendom aannamen, wat automatisch betekende dat de hele stam hierin meeging. De Asen, onder aanvoering van Woden, de wijze, lieten de mensen vrij om te doen en laten wat ze wilden, mits ze de consequenties van hun daden onder ogen wilden zien. De Asen straften niemand die zich bekeerde tot het Christendom, wat iemand deed opmerken dat het andersom naar het scheen wel als strafbaar werd gezien. De priesters van dat Christelijke geloof, konden dreigen met hun hel, en de duivel, wanneer een Christen toch nog de oude Asen aanbad.

Er werd door Thiada geopperd om dan maar ten strijde te trekken tegen de Christenen, niet alleen om een oorlog te voeren, maar vooral ook als zelfverdediging. Waren het niet de Christenen die zoveel niet Christelijken hadden gedood in het verleden, en nu nog? Waren zij het niet die zoveel heilige plaatsen hadden vernield? Misschien werd het tijd om terug te slaan, alle stammen verenigen en een oorlog beginnen. Thiada voelde zich nu al in het nauw gedreven. Awimund had hier zwijgend naar geluisterd met een peinzende blik, en zei toen, totaal onverwacht voor Hravanid, “en wat vind jij, Hravanid de gekozene. Wat zullen de Asen, die jou gekozen hebben om alle kennis voor de toekomst veilig te stellen, hier van vinden?” Hravanid schrok hier een beetje van, en zag toen dat alle ogen op haar gericht waren. Iedereen was stil, in afwachting van wat Hravanid zou zeggen. Voor één moment, sloeg de paniek toe tot haar, maar ze herstelde zich snel. Haar kracht was razendsnel te kunnen denken, en ze formuleerde een antwoord. Hravanid zei, na een korte stilte; “ik denk dat de Asen het volledig aan ons stervelingen overlaten om onze oude wetten, gewoonten en cultuur te behouden. Zij zien geen reden om ons dit op te leggen. De Asen weten ook dat wij zelf de consequenties van ons handelen moeten inzien. Als wij allen de oude Asen zouden verlaten, zullen zij ons verlaten, en ons niet meer helpen. Maar blijven wij trouw aan de Asen, dan zullen zij ons blijven helpen, en wanneer wij ten strijde trekken tegen de Christenen, zullen zij ons helpen door ons moed en kracht te geven. Maar de beslissing om ten strijde te trekken is aan ons, waarbij Woden ons wijsheid zal schenken.”

De andere wijzen knikten instemmend, en Hravanid zat daar in verwondering over wat ze zojuist had gezegd. Ze had niet verwacht dat ze al zoveel wijsheid had, en was het dan Woden die haar geholpen had? Natuurlijk, hoe kon ze ook denken dat ze als wijze vrouw niet geholpen zou worden door de Asen die haar uitgekozen hadden om een wijze vrouw te worden. Ze keek naar Avaredis, die schuin tegenover haar zat, en die goedkeurend knikte, met een glimlach vol trots over haar leerlinge.

Er werd nog wat gepraat over wat Hravanid had gezegd, totdat Hravanid dacht dat ze een takje hoorde kraken in het bos. Ze keek in de richting van het geluid, en dacht dat ze iets zag bewegen, en als reactie stond ze snel op, haar boog, die naast haar lag, al in de hand. Avaredis zag Hravanid opstaan en kijken, en nu keek zij ook naar het bos, en bijde vrouwen zagen toen twee vreemde soldaten uit het bos komen rennen. Avaredis twijfelde geen moment, en in een flits had ze haar dolk in de hand, klaar voor de strijd. Één van de soldaten richte zijn aanval daarom op Avaredis, de andere kwam, tot haar grote schrik, op Hravanid af, die gelijk in actie kwam, en met een flitsende beweging een pijl op haar boog aanlegde, de boog spande, en, zonder zich enige tijd gunnend om goed te richten, de pijl afschoot. Tegelijkertijd waren er nog veel meer soldaten uit het bos gekomen, zeker tien, welke luid brullend op de groep wijze mannen en vrouwen af kwamen stormen, zwaarden in de handen. Avaredis was de eerste die bereikt werd door een soldaat, die met vooruitgestoken zwaard op haar af kwam rennen, om haar zo te doorboren. Maar op het allerlaatste moment, dook Avaredis weg, maar met haar dolk op de buik van de soldaat gericht, gebruik maakte van de snelheid van die soldaat, die daardoor op de dolk liep, die daardoor diep in zijn buik stak. Avaredis maakte zich klein, en liet de nu dodelijk gewonde soldaat over haar heen vallen, waarbij het haar lukte om haar dolk weer uit de buik van de soldaat te trekken. Ze ging direkt weer overeind staan, klaar voor de volgende.

Hravanid was minder fortuinlijk. Haar pijl was raak, maar was net onder de schouder van de soldaat terecht gekomen, die een schreeuw van pijn en woede gaf, en hierdoor niet gestopt werd. Tot haar schrik zag ze de soldaat nog steeds op haar afstormen, en omdat Hravanid nog geen enkele ervaring had met vechten, wist ze niet wat ze moest doen, en stond als aan de grond genageld. Toen hoorde ze twee pijlen door de lucht vliegen, en de twee pijlen raakten de soldaat in de borst, één in het hart, de andere schuin daaronder, en de soldaat viel dood neer, net voor de voeten van Hravanid. Ze zag dat haar pijl niet door het lichaam gekomen was, maar de twee andere pijlen waren door het lichaam gekomen, en staken uit door de rug. In een flits wist Hravanid dat deze pijlen door Wulfgard afgeschoten moesten zijn, en ze keek in de richting vanwaar de pijlen kwamen. Daar zag ze Wulfgard, die alweer een nieuwe pijl op haar boog aanlegde. Alle wijzen waren opgesprongen, sommigen probeerden zichzelf in veilighijd te brengen, anderen vochten met de wapens die ze hadden. En nu zag Hravanid waarom Awimund een staf had met een zware dikke knop aan het uiteinde. Een soldaat kwam op Awimund toe stormen, maar Awimund stond daar in kalmte te wachten, om dan snel het zwaard te ontwijken en om dan met kracht die zware knop van de staf in het gezicht van de soldaat te rammen, wat een ziekelijk gekraak van botten opleverde, en de soldaat een misvormd bloedig gezicht gaf. Maar een andere soldaat was al bij Awimund, en slaagde erin om hem een houw in de schouder te geven, wat Awimund op de grond deed vallen. De soldaat stak daarna zijn zwaard in de buik van Awimund, en hief toen het zwaard omhoog voor de genadeslag. De soldaat had een dik leren vest aan ter bescherming, en pijlen konden er niet doorheen dringen. Maar met zijn arm omhoog geheven, was er ruimte onder de oksel die onbeschermd was, en Wulfgard zag dit, en schoot een pijl onder de oksel, in de borstkas. De soldaat schreeuwde het uit, en verloor alle kracht in zijn opgeheven arm, die nu naar beneden kwam, en de pijl afbrak, met de punt nog in zijn borst. De soldaat werd bleek in het gezicht, en zakte langzaam door de knieen, zat even op zijn knieen, en viel toen zijdelings neer.

Ondertussen waren de wachten rondom de open plek ook aangekomen, en vielen de soldaten aan. Hravanid liep snel naar Awimund, en knielde naast hem neer. Awimund had de ogen gesloten, maar ademde nog steeds. Zijn gezicht was asgrauw, en met zweetdruppels bedekt. De wond aan de schouder en vooral in de buik bloedden, en het zag er niet goed uit. “Awimund!” riep Hravanid in haar vertwijfeling, en de oude wijze man opende zijn ogen en keek haar aan, en zei met een zwakke stem “ik zal spoedig aankomen in het Walhalla, waar mijn voorouders op mij wachten, je kunt niets meer voor mij doen.” Awimund vertrok toen zijn gezicht van de pijn, en zag er nu opeens veel ouder uit dan eerst. Hij opende zijn ogen weer, en zei “Hravanid de gekozene, op jou rust de taak om de kennis van de wijzen te behouden, en onze manier van leven, onze gewoonten, en onze wetten...” en Awimund stopte, en vertrok zijn gezicht weer van de pijn, om dan te vervolgen “Woden zal je beschermen, en behoeden. Een krijger zal hij je te hulp sturen..” en weer vertrok zijn gezicht van de pijn, om dan te ontspannen. Maar zijn ogen bleven gesloten, en openden niet meer. Awimund ademde nog even, maar dan stokte zijn ademhaling. Daarna was er nog een diepe ademteug, daarna niets meer. De oudste van de wijzen was dood.

 

De strijd was snel over, de wachten maakten korte metten met de indringers. Hravanid zat nog steeds bij Awimund, en Wulfgard kwam naar hen toe, zag dat Awimund dood was, en dat de soldaat met haar pijl in de borst nog leefde. Hij lag op zijn zij, en zonder medelijden duwde Wulfgard de soldaat op zijn rug met haar voet. De soldaat kermde van de pijn, maar het deerde Wulfgard niet, en haar gezicht was hard. Ze vroeg aan de soldaat wie hun gestuurd hadden, maar de soldaat antwoorde alleen maar dat er nog meer onderweg waren, en eigenlijk wist iedereen wie de soldaten gestuurd had. Wulfgard knoopte toen het dikke leren vest los van de soldaat, maakte ruimte om de borst te ontbloten, keek op naar één van de wachten, knikte, en de wacht doorboorde het hart van de soldaat. De oude Germaanse wet werd hier toegepast. Wie een heiligdom vernielde, of een wijze ombracht, werd ter dood gebracht.

Ook de laatste wijze van de Dani was dood, en twee van de Germaanse wijzen waren gewond, maar werden al verzorgd door de andere wijzen.

Datgene wat de gewonde soldaat gezegd had ging nu in de rondte, en er werd besloten om de bijeenkomst per direct te beeindigen, zodat iedereen terug kon keren naar hun eigen woongebied.

 

Hravanid en Avaredis liepen terug naar het noorden, waarbij Hravanid geen woord gezegd had. Na een lange stilte vroeg Avaredis waarom Hravanid zo stil was. Was het vanwege de dood van Awimund? Was het vanwege al het geweld tijdens het gevecht? Dan verbreekt Hravanid haar zwijgen, en zegt “de laatste woorden van Awimund waren: Woden zal je beschermen, en behoeden. Een krijger zal hij je te hulp sturen. Wat betekend dat?” Avaredis dacht even na, en zegt “wie er op jouw pad zal komen weet alleen Woden, maar wat zeker is, is dat Woden je zal beschermen, en dat kan dan een krijger zijn die je pad kruist, en je helpt. Misschien zal het Woden zelf zijn die uit Asgaard komt, en afdaald naar Midgaard, en als gewoon mens verschijnt. Volgens onze oude verhalen is het vaker gebeurd dat Woden zich onder de mensen begeeft. Het kan nu ook weer gebeuren.” Hravanid probeede zich voor te stellen hoe Woden er dan uit zou zien, maar wierp deze gedachten van zich af, ze waren een beetje kinderlijk vond ze zelf.